Een mooie tandem in het Betoog van de Volkskrant afgelopen zaterdag (21 maart 2009).
Eerst een tirade van schrijver Jeroen Brouwers tegen de vermarkting van het edele schrijversvak en daarna de kunstcriticus Robert Hughes over de drek die nu in de musea hangt. Het is erg gemakkelijk om beide verhalen af te doen als gezeur van oude mannen die niet meegaan met hun tijd en geen aansluiting kunnen vinden bij de uitingen van de kunst vandaag de dag. Brouwers trekt van leer tegen de chicklit boekjes en Hughes schuift Andy Warhol als charlatan terzijde. Maar er is meer aan de hand, zoals gebruikelijk als je dezelfde geluiden vanuit verschillende richtingen hoort komen. De scheiding tussen wat goed is en wat niet is in de kunsten is een eeuwigdurende discussie tussen partijen met verschillende belangen. Bijvoorbeeld mensen met en mensen zonder geld. Tussen kopers en verkopers, tussen beschouwers en makers. De kunst is de laatste 15 jaar onderhevig aan de meest invloedrijke verandering sinds deze en vorige eeuw, namelijk die van het geld. De invloed van de markt op de productie van boeken en kunstwerken is gigantisch en veranderd het totale kunstlandschap zoals we dat kennen. Op de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, maar ook op andere kunsthogescholen, is het niet meer genoeg om een vak te leren, maar moet er vooral aandacht besteed worden in hoe ze zichzelf moeten verkopen. Op open dagen krijg ik aspirant-studenten die vooral willen weten of er van te leven valt. Totaal legitiem en gezien het huidige onderwijsbeleid zeer verstandig, maar mijns inziens zou dit niet de hoofdreden moeten zijn waarom je op een kunstacademie wilt zitten. Of op elke andere academie trouwens... Eenmaal afgestudeerd ben je kunstenaar, maar nog meer cultureel ondernemer, die zich een plek moet zien te veroveren in de creatieve economie.
Dit is een ontwikkeling die de afgelopen 15 jaar een enorme vlucht heeft genomen en waar je investeert in het één gaat dit ten koste van het ander. In het geval van de kunststudent van vandaag is dit dus het ambacht.
Want dat is wat Brouwers en Hughes gemeen hebben; de onbedaarlijke liefde voor het ambachtelijk gemaakte boek en kunstwerk. Volgens hun is de enige constante waarop je iets kunt beoordelen de vaardigheid en kwaliteit waarmee het gemaakt is. Ikzelf ben een groot liefhebber van conceptuele kunst en kan in verwarring en vervoering raken van Bas Jan Ader of Sophie Calle, maar ik vergelijk dit niet met het meesterschap van Rembrandt of Vermeer. Het is allebei kunst, maar de vergelijking gaat totaal mank omdat je ze niet op dezelfde manier kunt beoordelen. Om een performance van Bas Jan Ader te beoordelen op zijn ambachtelijkheid is hetzelfde al een kind, wat een balletje met alle macht in een vierkant gat probeert te proppen. Concepten en ideeën zijn vluchtig en vervliegen, maar het werk van oude meesters zal ons natuurlijk altijd blijven fascineren. Ze hebben daarin gelijk. Natuurlijk hebben ze gelijk, maar het is ook te makkelijk. Ook ik ben tegen een te grove verzakelijking van de kunst en een mooi voorbeeld is het boek van Willem Baars ('Wie bepaald de waarde van kunst', Nieuw Amsterdam, 2009) die haarfijn laat zien dat de markt wel invloed heeft over hoe de beschouwer ermee omgaat, maar er andere merites gelden als het gaat om het bepalen van de artistieke en kunsthistorische waarde van het werk. Het gaat er niet om of iets mooi of lelijk is, of het duur of goedkoop is, maar is het goed? Ook Hughes maakt zich in de Volkskrant niet zo druk over de weerloosheid van kunst: "Ik denk dat mensen altijd op zoek zullen gaan naar ervaringen die complexer en betekenisvoller zijn dan de normale ervaringen in hun leven. Door naar kunst te kijken kun je zulke ervaringen krijgen". Los van geld, los van markt zullen er altijd mensen zijn die kunst willen kijken en kunst willen maken. Er zullen altijd mensen zijn die een goed boek willen lezen en er zijn mensen die goede boeken willen schrijven. Daar moeten we niet te voorzichtig mee omgaan, maar wel een beetje koesteren.